Uit een vergelijking tussen modelberekeningen van ConsExpo met experimentele data blijkt dat ConsExpo de inhalatieblootstelling voor spuitproducten te laag inschat. Dit concludeert het Deense Environmental Protection Agency (EPA).

ConsExpo is een veel gebruikt model om blootstelling voor consumenten te berekenen. Deze blootstellingschatting wordt in de toelating van een product gebruikt. In de genoemde studie met experimentele data zijn drie biocidenproducten onderzocht. Deze zijn volgens instructie gespoten in een experimentele opstelling. Er zijn metingen verricht aan een (gemiddelde) druppelgrootte, concentratie en type chemische stof. Naast inhalatieblootstelling is ook de concentratie werkzame stof op een oppervlak gemeten. Hiermee is vervolgens de blootstelling via huid en hand-mond contact berekend.

De resultaten van de experimenten zijn vergeleken met een berekende blootstelling van het ConsExpo model (voor consumenten) en het BEAT model (voor professionals). De berekende inhalatie van het BEAT model en de blootstelling van huid- en hand-mondcontact van beide modellen kwamen wel overeen met de experimentele resultaten.

In het rapport van de Deense EPA worden wel kanttekeningen geplaatst bij de studie-opzet, aangezien de experimentele blootstelling via inhalatie slechts in één product is gemeten.

Reactie RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu op het Deense onderzoek:

Het RIVM (ontwikkelaar van ConsExpo Web) onderschrijft het belang van onderzoek zoals uitgevoerd door twee Deense instituten in opdracht van de Deense EPA. Het onderzoek toont aan dat voor het specifieke product de blootstelling onderschat wordt in ConsExpo Web, wanneer de standaardwaarden uit de Pest Control fact sheet uit 2006 gebruikt worden. Deze defaults zijn in 2010 na publicatie van het spray model-rapport (Delmaar & Bremmer, 2009) echter aangepast. De onderzoekers laten ook zien dat wanneer de invoerwaarden in ConsExpo Web in lijn worden gebracht met de experimentele opzet, inclusief de deeltjesgrootteverdeling en de snelheid waarmee het product de spuitbus verlaat, de resultaten zeer nauw overeenkomen. Daarnaast laat het onderzoek zien dat de geschatte huidblootstelling en secundaire blootstelling (kruipen over de vloer door kinderen) in ConsExpo Web goed overeen komen met de gemeten resultaten.

Product-specifieke informatie, zoals de deeltjesgrootteverdeling en de snelheid waarmee het product de spuitbus verlaat (“mass generation rate”), zijn belangrijke parameters die de blootstelling aan deze producten bepalen. ConsExpo Web geeft hiervoor standaardwaarden die gebruikt kunnen worden in het geval dat deze gegevens niet beschikbaar zijn. Voor spuitproducten heeft het RIVM door TNO spuitexperimenten laten uitvoeren in 2007, waarop de standaardwaarden gebaseerd zijn. Het huidige Deense onderzoek heeft voor een product een (gemiddelde) deeltjesgrootteverdeling gemeten. Dit was helaas niet de initiële deeltjesgrootteverdeling zoals gebruikt in ConsExpo.

In de nieuwste versie van ConsExpo Web 1.0.6 (sinds november 2018) is het mogelijk om een gemeten deeltjesgrootteverdeling in te voeren.

In het huidige ConsExpo2015 project worden de factsheets uit 2006 de komende jaren geactualiseerd. Hierbij worden de oude standaardwaarden indien nodig op basis van nieuwe informatie aangepast. Het Deense onderzoek is daarbij zeer waardevol, te meer omdat dit soort onderzoeken met aandacht voor product-specifieke eigenschappen zelden worden uitgevoerd en gepubliceerd.