Op 20 augustus zijn door Tweede Kamerleden van de VVD vragen gesteld over de zorgen die het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD) in diverse media heeft geuit over het ontstaan van muizen- en rattenplagen. Deze vragen zijn mede namens de minister van LNV beantwoord door de staatssecretaris van IenW op 28 oktober. De staatssecretaris en minister gaven aan dat vooral maatregelen om deze plagen te voorkomen belangrijk zijn. Daarnaast geven zij aan welke regels gelden en gaan gelden voor het gebruik van chemische middelen.

Het ministerie van IenW stelt bij het professioneel bestrijden van ratten en muizen in en rond gebouwen het systeem van geïntegreerde knaagdierbeheersing (IPM) algemeen toegepast gaat worden. Dit betekent in eerste instantie preventieve maatregelen nemen, zoals het opruimen van voedsel, het weghalen van nestelplaatsen en het monitoren van de populatie. Als er toch ratten en muizen gesignaleerd worden, dan kunnen niet-chemische maatregelen worden toegepast, zoals klemmen en vallen. Wanneer deze niet-chemische maatregelen niet voldoende werken, dan kunnen biociden worden toegepast.

Het ministerie van IenW geeft verder bij de beantwoording van de vragen aan dat momenteel door het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu een verkennend onderzoek wordt uitgevoerd naar de optimalisatie van geïntegreerde knaagdierbeheersing . Bij dit onderzoek zijn veel partijen uit de praktijk van plaagdierbeheersing en de WURWageningen University &Research en het KAD als kennisinstituten betrokken. Op basis van dit onderzoek zal in afstemming met de ministeries van LNV, VWSMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en BZKMinisterie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beoordeeld worden welke vervolgstappen nodig zijn om IPM bij de beheersing van muizen en ratten te optimaliseren.