Het Kennisnetwerk Biociden organiseerde op dinsdag 29 maart 2021 een webinar over desinfectiemiddelen in de zorg. Het webinar was vooral bedoeld voor adviseurs en inkopers  van desinfectiemiddelen in de zorgsector. Dit was het derde webinar in de reeks ‘Desinfectiemiddelen in coronatijd’.

Naast informatievoorziening is het doel van het Kennisnetwerk Biociden (KNB) om leden met elkaar in contact te brengen, kennis te (laten) delen en leden hun problemen en oplossingen met elkaar te laten delen. Dat is ook met dit webinar geslaagd. Medewerkers van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en  deskundigen infectiepreventie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en het Elkerliek ziekenhuis gaven de presentaties. Een panel van deskundigen beantwoordde de vragen uitvoerig.

Aanleiding

De sinds 4 maart verlopen vrijstellingen voor desinfectiemiddelen vormden de aanleiding voor dit webinar. Tijdens de coronacrisis zijn in verband met schaarste veel desinfectiemiddelen tijdelijk toegelaten tot de Nederlandse markt. In bepaalde gevallen zonder dat ze de toelatingsprocedure onder de Biocidenverordening hebben doorlopen. Sinds 5 maart 2021 gelden twee nieuwe vrijstellingen voor specifieke desinfectiemiddelen. Eén voor handdesinfectiemiddelen en één voor oppervlaktedesinfectiemiddelen. Tijdens dit webinar gingen sprekers onder andere in op de regelgeving rondom desinfectiemiddelen en biociden, de regels voor toelatingen en gebruik van desinfectiemiddelen en de vrijstellingen van desinfectiemiddelen.

Beleid

Bente Sturm, senior beleidswerker bij VWS, beet de spits af met een presentatie over het beleid van desinfectiemiddelen ten tijde van de eerste COVID-19 golf. Zij besprak de uitdagingen rondom vraag en aanbod van desinfectiemiddelen tijdens de coronacrisis en de beleidsaanpak om de schaarste van desinfectiemiddelen te beperken. Voor hand- en oppervlaktedesinfectiemiddelen zijn onder bepaalde voorwaarden vrijstellingen van de Biocidenverordening verleend. De conclusie van haar presentatie was om alleen te desinfecteren wanneer nodig.

Vrijstellingen

Jan Willem Andriessen, beleidsmedewerker bij het Ctgb, gaf uitleg over de procedure rondom toelatingen en vrijstellingen van biociden. In de zorg hebben medewerkers vaak te maken met drie verschillende wetgevingen. Dit zijn de biocidenwetgeving (EU Europese unie 528/2012), de geneesmiddelenwetgeving (2001/83/EG) en de wetgeving medische hulpmiddelen (EU 2017/745). De verschillende desinfectiemiddelen vallen onder verschillende wetgevingen. Dit kan soms tot vragen of grensvlakproblemen leiden. Als gevolg van de coronapandemie was er een grotere vraag naar desinfectiemiddelen en biociden die werkzaam zijn tegen virussen. Onder bepaalde voorwaarden werden vrijstellingen verleend om de schaarste aan desinfectiemiddelen te beperken. Zo moesten de biociden aantoonbaar voldoende werkzaam zijn tegen het SARS-CoV-2 virus en moesten de producten veilig zijn voor gebruiker, producent en milieu. Ook hadden de vrijstellingen een geldigheidsduur van maximaal 180 dagen. Vanaf 5 maart 2021 is het alleen nog toegestaan om biociden van productsoort (PT) 1 en 2 te gebruiken die zijn toegelaten met een virusclaim (zie de Ctgb toelatingenbank). Of biociden die zijn vrijgesteld in de derde vrijstellingsronde voor handdesinfectiemiddelen (PT1) en oppervlaktedesinfectiemiddelen (PT2). De vrijgestelde biociden staan in de lijsten met vrijgestelde biociden op de website van het Ctgb.

Juist gebruik van de richtlijnen

Peter Molenaar, deskundige infectiepreventie bij het RIVM, lichtte toe wat het juiste gebruik van richtlijnen in de praktijk betekent voor de zorg. Hij benadrukte dat de juiste richtlijnen moeten worden gevolgd door de juiste doelgroep en voor de juiste toepassing. Het is belangrijk alert te zijn op wanneer er noodzaak is voor desinfectie en wanneer reinigen voldoende is. Peter benadrukte het belang van correcte etikettering, opslag en gebruik van desinfectiemiddelen. Tot slot adviseerde hij om deskundigen infectiepreventie om advies te vragen.

Ervaringen uit de zorg

Esther van Asselen, deskundige infectiepreventie bij het Elkerliek ziekenhuis in Helmond, was de laatste spreker. Zij besprak waar ziekenhuizen tegenaan lopen. De grootste struikelblokken hebben volgens haar te maken met verouderde richtlijnen. Volgens de huidige hygiënerichtlijnen van de Werkgroep Infectie Preventie (WIP) moeten desinfectiemiddelen op basis van chloor en ethanol worden gebruikt voor oppervlaktedesinfectie in ziekenhuizen. Dit zijn niet de prettigste middelen om mee te werken. Er zijn middelen op de markt op basis van andere werkzame stoffen. Maar die mogen volgens de huidige hygiënerichtlijnen niet worden gebruikt. Het liefst ziet Van Asselen een vernieuwing van deze hygiënerichtlijnen.

Discussie

Na afloop van de presentaties volgde een paneldiscussie onder begeleiding van Caroline Moermond, senior beleidsadviseur bij het RIVM. Het panel bestond uit de sprekers en een medewerker van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). De vele vragen vanuit de deelnemers zorgden voor een levendige discussie. Zo werd onder andere duidelijk gemaakt dat de tijdelijk verleende vrijstellingen van de eerste en tweede ronde zijn vervallen en de producten op deze lijsten niet langer mogen worden gebruikt. Ook bleek er noodzaak om meer informatie te verstrekken over het verschil tussen reinigen en desinfecteren en dat er behoefte is aan vernieuwing van de WIP-richtlijnen.